zondag 2 maart 2008

maar je hebt nog even de tijd om te beslissen

Hm-hm droom even mee wil je?


Dus donderdag 17 april vertrek je met een klein valiesje vol zomerspullen naar Brussel. Je komt zo tegen half zes aan in Brussel Centraal. We eten een pasta in Chez Martin aan de Borgwal en drinken een glaasje witte wijn en dan een koffietje en zo tegen zeven half acht gaan we naar Soko zien want daar hebben we dan tickets voor en Soko speelt dan een hele fijne set en dan treedt Adam Green op en die doet dan weer goed gek en we lachen ons te pletter met zijn nepdronken capriolen waarbij hij weer wat mensen uit het publiek pikt om met hem op het podium de konijntjesdans te doen en je maakt je geen zorgen om je klein valiesje vol zomerspullen want dat staat veilig aan de kassa omdat er in de lockers beneden geen plaats voor was.


Op weg naar Jean-Paul en Katrien zijn we het er over eens dat het misschien niet het concert van de eeuw was, maar van Soko hebben we dan toch maar mooi genoten en je bent toch wel blij dat je Adam Green hebt bezig gezien. Zelfvoldaan werp ik je een blik toe van ‘ha, told you so…’. We stappen uit de metro aan de halte Zwarte Vijvers en je vraagt je af wat Katrien en Jean-Paul hier in godsnaam kwamen zoeken. Bij hen thuis aangekomen, zegt Katrien je met slaapoogjes gedag want het was voor haar een zware dag en Jean-Paul biedt ons een pintje aan. We weigeren beide en ik krijg de zetel toebedeeld en jij installeert je in de logeerhoek want morgen is het vroeg dag.


Je zet je wekker op half zes, ik de mijne op half zeven en om zeven uur verlaten we het pand en nemen we de metro naar Brussel Centraal. Dat is lijn twee en bijna staan we aan de verkeerde kant, maar natuurlijk ben je alert genoeg om me daarop te wijzen en sneller dan verwacht staan we in Brussel Centraal alwaar we de Airport City Express nemen en om kwart na zeven staan we in de vertrekhal van Brussels National Airport. Moest dat nu echt zo vroeg vraag je je af, en ik zeg ja zeg beter zo dan kan ik nog snel een pin… ehm een koffie drinken voor we vertrekken. Bijna moet je lachen. De vlucht op Malaga is pas om 9u35 we halen ze vlotjes en als bij wonder is er geen vertraging.


Rond half één komen we aan in Malaga en zoeken er vervoer tot Marbella. Je hebt geen zin in een bus en we besluiten dan maar een taxi te nemen – we vallen in slaap op de achterbank en voor we het weten staan we voor het Radisson hotel, alwaar ik via-via een kamers aan ‘Friends & Family’ tarief heb kunnen regelen. We smijten onze bagage op bed, je kruipt snel de douche in, ik zoek iets om te eten, doe ondertussen m’n witte sokken, m'n sandalen, m'n donkerblauwe bermuda en m'n hawaïhemdje in rood en wit aan en begin me even later af te vragen waarom vrouwen toch zo veel tijd nodig hebben om zich klaar te maken verdomme. Ondertussen geniet ik van het uitzicht op de Middellandse zee, nip ik van m’n glas appelsiensap en op ons terrasje lees ik verder in Visions of Cody. Stralend en fris en vrolijk kom je even later de badkamer uit en ik vind het plots helemaal niet zo erg dat vrouwen zo veel tijd nodig hebben om zich klaar te maken verdomme.


We wandelen langs de branding naar niet het eerste en eigenlijk ook niet het beste etablissementje en werpen ons vol overgave op de eerste lading tapas. We zeggen niet veel want we genieten gewoon en overwegen onze opties voor de komende dagen - we willen wat rondkuieren en zien waar we stranden want voor wat we willen lijkt ons dat wel aangewezen, want wat we willen is zon in het gezicht en zand tussen de tenen en ook willen we wind in de haren en de maan zien blinken op de baren en graag was ik toch ook wel eens tot Ronda gegaan, daarboven in de bergen, met een bus vol zwetende locals weetjewel, wat couleur locale opsnuiven, het schijnt er toch zo mooi te zijn, en o, ik ken nog ‘n een fijn adresje ginds.

Maar ach we zien wel, want voor we het weten zal het maandagmiddag zijn eenentwintig april en zitten we terug slapend op de achterbank van een taxi en staan we in het vliegveld en zitten we om 16u50 op het vliegtuig in stoelen 6E en 6F. Jij aan het raampje. Nog wat later wachten we samen aan de bagageband op een klein valiesje vol zomerspullen dat maar niet komen wil tot het er plots staat en bekijken we elkaar en stappen door de vertrekhal waar iedereen naar ons staat te gapen maar niemand op ons wacht en nemen we de roltrap naar -1 om de trein naar Brussel Centraal te halen en daar zeggen we elkaar dan dag en gaan.
Jij naar Gent, en ik naar huis.

Nou, dat lijkt me wel wat, behalve dat laatste.


*

O, de vluchten kosten 82 euro heen, en 82 terug, ik heb net gekeken.

donderdag 25 oktober 2007

Toon versus de Stad Antwerpen, P.V. AN.98.LB.660112/2007

Op 9 oktober werd ik geverbaliseerd voor het maken van één of meerdere overtreding(en) op het algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg.

Enkele dagen later kreeg ik het PV in de bus: tijdens een patrouille hadden Inspecteur Glenn DH en zijn overste mij betrapt op het besturen van mijn fiets zonder handen, en toen ze mij hierop attent maakten, reed ik gewoon door. Dat stond zo, of misschien iets formeler in het PV.

Ik kon hier bezwaar tegen aantekenen.

Volgt u even mee.

*

Geachte,

Met dit schrijven wens ik bezwaar te maken tegen het Proces Verbaal met het nummer AN.98.LB.660112/2007. Zoals aangegeven, erken ik een inbreuk te hebben gepleegd tegen het verkeersreglement. Echter op basis van artikel 1 van het Antwerpse politiereglement (Afdeling 1 – Toepassingsgebied), meen ik te kunnen motiveren dat de boete ongegrond is.

Deze regel geeft immers aan in welke geest het reglement moet worden geïnterpreteerd. Bedoeling is de inwoners te laten genieten van de voordelen van een goede politie'. Gelieve hieronder enkele inconsequenties op te merken die in mijn voordeel pleiten.

De feiten vinden plaats in de Boomgaardstraat (zie hiervoor bijgevoegd plan). Op maandag 8 oktober, kom ik omstreeks 10u terug van bakkerij de Connaisseur, gelegen verderop in de Boomgaardstraat. Ik fiets daar bijna iedere dag naartoe en ken de weg dus door en door, en kan bijgevolg perfect het verkeer inschatten. Ik geef toe zonder handen te hebben gereden over de afstand die ik aangeduid heb op bijgevoegd plan, maar wil u attent maken op het feit dat ik te allen tijden in een fractie van een seconde kan uitwijken en remmen mocht dit moeten. Op een bepaald moment (punt aangeduid met '(1)') komen uit de andere richting een paar wagens (ik reed richting Grote ) Steenweg, zij dus richting Berchem station) waarvan één politiewagen, en op het moment dat ze mij kruisen, hoor ik een korte 'tuut', amper een seconde lang, en in de wetenschap dat ik niemand hinder, neem ik gewoon aan dat één van die wagens naar de andere claxonneert, dat gebeurt namelijk wel meer in de buurt.

Ik fiets dus door, zonder handen, en ter hoogte van de Helenalei leg ik mijn handen terug op het stuur, teneinde te kunnen anticiperen op het verkeer aldaar. Ik fiets dan ook verder met mijn handen op het stuur en merk dat dezelfde politiewagen me voorbijsteekt en halt houdt op punt aangeduid met (2) op bijgevoegd plan. Daar ik in de Wijnstraat woon, sla ik de Wijnstraat in en zet er mijn fiets vast op punt (3). Ik merk dat de politiewagen naar achteren rijdt, mijn straat indraait en naast mij halt houdt.

Ik word op mijn inbreuk gewezen, en ik erken deze. Hierop zegt de agent in kwestie dat ze naar mij geclaxonneerd hadden, dat ik hun genegeerd had en pas na 'lange tijd doorrijden' de handen terug op het stuur had gelegd. Nu, ik hoop dat u hiervan de inconsequentie inziet. Ten eerste, hebben ze mij willen waarschuwen, en hoewel dit op een bijzonder onduidelijke manier geschiedde, impliceert dit dat mijn inbreuk nu niet zo gevaarlijk was voor de maatschappij, gezien ze mij zouden hebben laten doorrijden mocht ik onmiddellijk hebben gereageerd. Ten tweede impliceert dit, dat het feit, namelijk het 'niet reageren' zoals beschreven in de vaststellingen op het PV, de eigenlijke hoofdzaak was voor het keren van het voertuig en het interpelleren van de bestuurder, zijnde mezelf. Ik heb mij bij de interpellatie beleefd verontschuldigd, en nogmaals mijn inbreuk erkend en ook gemeld dat ik onmogelijk kon weten dat precies ik degene was naar wie werd geclaxonneerd en dat ik hen dus per definitie niet eens heb kunnen negeren.

Ik geef toe, dat ik tot dusver mijn juridisch bezwaar nog niet heb aangehaald, maar enkel de feiten heb beschreven. Indien het politiereglement vooropstelt om 'de inwoners te laten genieten van de voordelen van een goede politie' dan heb ik bij de motivatie en ijverigheid van de dienstdoende agent toch serieuze bedenkingen. Want, als u mijn argumentatie en beschrijving van de feiten indachtig blijft, blijkt duidelijk dat niet de overtreding, maar wel het zogenaamde 'negeren' aan de grondslag lag van mijn boete. Ik besef dat een 'goede politie' een nogal arbitrair en subjectief gegeven is, en de bedoeling van die terminologie kan natuurlijk naar ieders goeddunken ingevuld worden. Ik heb altijd geleerd correct en eerlijk te zijn, en heb respect voor orde en gezag. U kan het nakijken, ik ben 27 jaar, en ik heb tot dusver welgeteld één boete gehad, en dat was voor slecht sorteren. Wat ik dus onder een 'goede politie' begrijp, is een politie die waakt over het welzijn van de burgers en die burgers behoedt voor misdaden en onrecht. Ik geef nogmaals toe dat ik tegen de letter van de wet heb gehandeld, maar ben de geest van de wet indachtig geweest, gezien ik steeds de controle heb over mijn voertuig. Maar, zonder zelf te willen oordelen, indien u bijgevoegd relaas een illustratie vindt van een 'goede politie' die de burger kan laten genieten van diens voordelen, dan vrees ik dat ik daar verder geen enkel ander juridisch bezwaar tegen kan inbrengen.

Met vriendelijke groeten,
AA



*UPDATE*


Gisteren, op zaterdag 27 oktober 2007, werd ik andermaal staande gehouden door Agenten-op-de-Fiets.

- 'Ja, ik weet het, mijn licht staat niet aan. Mijn dynamo is er onlangs af getrokken en ik heb hem nog niet kunnen laten maken.'

- 'Mogen wij uw identiteitskaart even zien, mijnheer?'

- '...'


Ik denk dat ik nu geen bezwaar meer ga aantekenen.

Toon vs Stad Antwerpen: 't Stad wint.

dinsdag 16 oktober 2007

En in Gent.

Ik was dus omstreeks half vijf in Gent aangekomen, alwaar ik aan het Sint Pietersstation Tram 1 nam richting centrum. Ik had geen idee van waar ik precies moest uitstappen en toen ik dat uiteindelijk deed heb ik - als echte vent natuurlijk - op instinct en oriëntatie de Vooruit gevonden, vervolgens de Boekentoren, dan de Plateaustraat en ten slotte te straat waar ik met haar had afgesproken. Zij was er nog niet, want we hadden pas om vijf uur afgesproken. Maar thuis had ik me staan vervelen, dus dacht ik, tja kan ik evengoed vroeger vertrekken en alvast wat door Gent kuieren. En dat heb ik, zoals u ongetwijfeld net heeft kunenn lezen, dan ook maar gedaan.

Bon, daar zaten we dan, voor het eerst nuchter en meteen die eerlijke, spontane gesprekken over Het Leven Zoals Het Is – Onszelf. Het plan om quiche te gaan eten werd na een halve fles rode wijn opgevolgd, en we begaven ons naar de Sint Pieters Nieuwstraat alwaar quicherie Thalia volzet bleek. Niet getreurd, ook in de Vooruit serveert men eten, en quiche op de koop toe. Er was weliswaar slechts eentje over, met aubergines en zo, en die mocht ik dan hebben. Zij at spaghetti. Het kwartlitertje rode wijn was niet voortreffelijk, doch volstrekt consumeerbaar.

We aten en praatten. We rookten een sigaret aan de toog. Aan tafel mocht dat niet.

Ze vroeg me om hoe laat mijn laatste trein terug was. Dat was om vijf na elf, maar ik zei haar dat ik kon blijven overnachten bij Arthur, een vriend die in de Zebrastraat woonde, en of ze een plan had van Gent. Dat had ze niet. Maar Mappy.be zou soelaas brengen.

Terug op haar kot, werd er nog wat verder gebabbeld. Ik wilde een poging ondernemen de fles te ledigen, maar wist mijn enthousiasme dienaangaande wijselijk te temperen. Omstreeks elf uur, werden we beiden moe. En in de wetenschap dat ze in alle vroegte les had, stelde ik haar voor om mij buiten de sjotten, indien ze wilde gaan slapen. Dat deed ze.

Onderweg stuurde ik een bericht naar Arthur om te zeggen dat hij me kon verwachten. En de fles wijn in de hand, stapte ik neuriënd op Civil War van Guns n’ Roses, de vaart af. Ik stopte met neuriën toen na twee minuten mijn I-pod uitviel, wat mij evenwel niet belette mijn weg richting Zebrastraat te vervolgen, alwaar ik slechts vijf minuten later zou aankomen. De magnetische inkomkaart zou in de brievenbus zitten, maar waar de brievenbussen zich bevonden, werd hierbij niet gespecificeerd. Een eerste gevelonderzoek bracht geen antwoord, en de beveiligde poort bleef derhalve gesloten.

Arthur wakker bellen leek me de enige mogelijkheid, maar bood geen oplossing, daar hij onbereikbaar bleek en bleef. Toen iemand de poort binnenkwam, vroeg ik deze persoon mij mee binnen te laten, geen probleem. Ik stapte, de fles nog steeds stevig in de hand, richting inkom van het trendy appartementencomplex, vond de brievenbus, maar niet de magnetische inkomkaart. Ik belde aan, maar de stilte die volgde was even treffend als de donkerte achter de ramen. Arthur zelf was nog steeds onbereikbaar. Van mijn hart maakte ik een steen en belde haar dan maar op, om haar te vragen of ik – niet mijn schuld, echt – niet in haar zetel mocht slapen. En om mij in duizend bewoordingen te verontschuldigen dat ik haar had wakker gemaakt. Maar ook zij gaf niet thuis. En Arthur opnieuw, ook niet. Zij nog altijd niet. En Arthur ook niet.

Ik zette mij dus op een bankje, dronk een slokje wijn, rookte een sigaret, en belde opnieuw. Niemand.

Of ik binnensmonds dan wel luidop heb gevloekt, kan ik me niet meer precies herinneren. Ik stond op en stapte terug naar de poort, die van binnenuit met een code kon worden opengedaan. Een code die ik niet had. Ik klom voorzichtig tot halverwege, zette de fles wijn bovenop de poort, die daar wonderwel stabiel en stevig bleek te kunnen blijven staan, en klom de poort over. Ik klom terug halverwege, nam de fles wijn, en liet ze vallen. Ik herinner me dat ik toen luidop heb gevloekt.

Er zat dus niets anders op dan terug te stappen naar haar kot, en hoopte dat ze het niet erg zou vinden. Op het gelijkvloers brandde nog licht, daar woonde haar broer, die we na het eten gedag waren gaan zeggen. Ik belde aan, wachtte even, maar ze bleek reeds afgezakt richting dromenland. Ik drong niet aan en belde aan bij haar broer. Verbaasd, maar toch lichtelijk geamuseerd liet hij me binnen en bood me een zetel en slaapzak aan. Er zat nog een vriend van hem, die we eerder op de avond ook hadden gezien, en die begon, met een fijne glimlach – hoe zou u zelf zijn – het één en het ander te vragen. Nieuwsgierigheid is geen ondeugd.

‘Of ik verliefd was’ vroeg hij. Haar broer lachte. Ik minder. ‘Pas op het is geen gemakkelijke’ vervolgde hij, waarop ik antwoordde dat me dat interessanter leek dan wél een gemakkelijke, en dat botsen op dezelfde golflengte hoegenaamd geen kwaad kan. ‘Daar zit iets in’ vonden beiden. Wat leek op een tweede sollicitatieronde, leek goed op gang te komen. De vriend vertrok huiswaarts, en haar broer en ik babbelden nog even voort.

De volgende ochtend berichtte zij me dat haar GSM op stil stond, dat het haar speet en ze vond het wel grappig dat ik alsnog bij haar broer was verzeild. Nuja, ik kon er de humor wel van inzien. Arthur blijkbaar ook, toen hij me wat later die ochtend belde om zich te verontschuldigen dat hij mij (en ik citeer) ‘compleet vergeten was’ toen hij bij zijn vriendin was blijven slapen. Hij lachte iets te uitbundig naar mijn zin.

Ik ben om 10u thuisgekomen, heb bij dit schrijven nog geen koffie gehad, maar dacht dat u, haar nieuwsgierige nicht, wel wilde weten wat er gisterenavond zoal gebeurd is.


*


Indien u wacht op een clou, die is er niet.

maandag 27 augustus 2007

De feiten.

Vlaanderen is een lap grond, waarop pakweg zes miljoen mensen wonen die steevast lopen te klagen in de meest uiteenlopende dialecten. Er wordt meestal geklaagd over het openbaar vervoer en het weer, hoewel er een gematigd zeeklimaat heerst en het openbaar vervoer tegenwoordig mensen op pakweg 500m van de huisdeur bereiken kan en bij aankomst niet ontploft.

Historisch gezien strekt Vlaanderen zich uit tussen de Schelde en de Noordzee (Lille, Calais, Tourcoing, Gent en Antwerpen-Linkeroever), maar wegens vooralsnog onduidelijke redenen wordt daar tegenwoordig ook Antwerpen-Rechtseroever, Vlaams Brabant en Limburg bijgerekend, hoewel laatstgenoemde provincies geschiedkundig en geografisch tot Zuid-Nederland (Brabant, anyone?) en Luik (Graafschap Loon) horen en de taalbarrières tussen de inwoners onderling dikwijls tot onoverbrugbare communicatiekloven leiden zodat van enige eenheid nauwelijks sprake (!) kan zijn. (zie hiervoor ten bewijze http://www.youtube.com/watch?v=QE57zsos1AM )

Derhalve zou het ietwat konsekwenter zijn om het Vlaamse Verhaal vlaams te verhalen op Oost en West Vlaanderen, Antwerpen onafhankelijk te verklaren (en eindelijk de geldstromen van de haven richting achtergestelde gebieden zoals Sint Niklaas en Houthalen-Helchteren te stoppen), Brussel te laten opgaan in een soort Herenigd Belgisch Brabants Europees Hoofdstedelijk Gewest vól kantoren, hoeren en banken, en van Limburg een mooi reservaat maken waar het fijn vertoeven en gezellig wandelen is.

Dan, het plan om de hele rimram bij Olland te voegen is niet meer dan een complot van boven de Moerdijk, alwaar, niet geheel onterecht overigens, gevreesd wordt voor onvermijdelijke overstromingen. Toonaangevend onderzoek heeft namelijk aangetoond dat heel aanstootgevend Olland onder water gaat komen te staan, en dit omstreeks 2046. Dit in het achterhoofd houdende, wordt het vrij duidelijk dat dergelijke Anschluss niet minder is dan een preventieve inval van het oranje legioen, waarbij enkele miljoenen -al dan niet dronken -Nederlanders hun toevlucht gaan zoeken tot onze contreien. Stillaan groeit ginds het besef dat men hebben en houden alsook arme schaapjes binnen veertig jaar op het droge land wil, dit teneinde eventueel nog verder door te stoten naar Dardennen, alwaar reeds enkele hardnekkige voorposten gemeld worden ter hoogte van de Ourthe, Amblève en Semois.

Belgen, verenigt U!

Het is ons gelukt in 1830, in 1994 dankzij Philippe Albert, en samen zijn we sterk.
No pasarán!

Bon, het kan zijn dat ik volledig fout ben, maar dat zijn de meeste NVA'ers, VB'ers en consoorten ook.

dinsdag 31 juli 2007

In het verkeer (en in vervoering)

Daarnet toen ik stond
Te wachten aan het rode licht
Moest ik aan u denken

En toen werd het groen
En ik reed door
Zoals dat hoort

En ik moest nog steeds aan u denken
Maar vraag me niet waarom
Want dat weet ik niet

vrijdag 20 juli 2007

Spitante Olifant

Een olifant o zo spitant
Met kleine ogen, grote slurf
Zei ooit zachtjes in een oor
Een klein en angstig oor, hoor je
“In juni ben je dood, o ja
De tijger zal komen”, en de kleine zei
“Goeie grutten ‘k blijf in m’n woonst
‘k Weet telkens ik grommen hoor
Het Tijger is die zal gaan roven
Maar ik ben veilig, heb het gehoord
Want Olifant die zei het zo.”
Iedereen was ongerust, o ja
Aan de zebra, mangoeste werd het verkondigd
Aan ’t vuile nijlpaard in de modder
Dat ploeterend en kauwend op ’t
Pikante maal van hippo-plankton
De boodschap straal negeerde
En aan ’t onderzoek refereerde
Van stomme waterbizon, o ja
De angst sloeg ‘t hele bos om ’t hart
Ze renden rond dag en nacht
Maar je zal zien, het baatte niet
De tijger kwam en zei: “Wie ik?
Je weet toch dat ik jullie niet zal deren
Iets om te kauwen prefereer ik
Op jullie breek ik nog een tand” – o ja
Hij at de olifant.


Originally a song called Effervescing Elephant written by Syd Barrett to be found on an album called Barrett, 1970. I guess all rights are deserved.

dinsdag 17 juli 2007

The Kaggevinne Killer

It’s he and no-one else.
The Kaggevinne Killer.
The man who savagely slaughtered an entire family of six with an axe last month - in Kaggevinne.
Who smashed the head of a retired construction worker with a hammer last week - in Scheldewindeke.
Who, yesterday in Leopoldsburg, cut up a couple making love to pieces with a butcher’s knife.
Everybody knows him. Nobody ever saw him. The police forces of the entire country are looking for him and cannot find him.
He’s in all the newspapers and he’s on television almost every day.
He’s the most famous man in the country. But nobodyknows him.

Behind the mask of the Kaggevinne Killer hides the second mask of the Kaggevinne Killer.
Sometimes only two. Sometimes thousands. Sometimes one thousand sharp. And on very special days there might even be three million billion zillion.
His heart is an unreachable and unbreakable foam rubber electric blue Pirelli tennis ball.
The masks have a low-wage country origin.
The heart is Made in Italy.

On the left side of the road there’s a small yet ample residence chalked in a fresh shade of white. It’s the Recruitment Office for Seasonal Workers. On the right there’s this concrete hypermarket annex Bricostore annex Aldi annex Delhaize annex ShoeDiscount.
The Kaggevinne Killer drives past Bar Harmonie and leaves the town centre of Geetbeets behind him.
Out of Halen and Other Directions he resolutely chooses for Halen.
The wheels of the black Mercury Monarch silently slide on the smooth and tepid asphalt. The coachwork and hubcaps sparkle in the sun.
For the last time the Kaggevinne Killer shifts gears and then comfortably leans back. He lights a Rothmans. Rothmans or Pall Mall. The best tobacco money can buy. King size. Filter tipped.
He wonders: would the pancreas bear blossom this year.

The car radio speaks.
Notice to the travellers.
Sun shines between Geetbets and Halen.
Elsewhere it rains, mostly shit and purple plimsolls, but more shit than purple plimsolls.
Between Bekkevoort and Donk, cows sing from the top of their lungs as they fly straight into the sun in their jingling gilded tinselled chariots.
Today, too, the murders of the Kaggevinne Killer remain unsolved.
The Kaggevinne Killer bursts into laughter, his shock shouted shout shocking swelling up to fortissimo.

He puts out his cigarette and switches off the car radio. The wheels of the black Mercury Monarch silently slide on the smooth and tepid asphalt. The coachwork and hubcaps sparkle in the sun.
Behind the turn, sturdy yet elegant, through a roof of glistering sunlit leafs, in between the green of some willows, the bell tower of the church of Halen appears.
The Kaggevinne Killer slows down, drives into town, drives around in the streets and parks his car close to the corner of the Kerkstraat and the Molenstraat.

The Kaggevinne Killer lies back light heartedly in his leather driver seat.
The thoughts come buzzing up to him out of his camouflage heart.
That ram is a rascal!
Destiny can be altered in a figure of speech.
That dirty chief inspector son of bitch. And don’t get started on the assistant.
‘t Is the season of the driller. The season of sex lingerie. Some sour diversion.
He puts out his cigarette and steps out of the car.
There is no-one, from the North Sea coast line up to border of Poland, who has such big a pair of boobies and such a big behind than Big Zwanita. The landlady of The Silver Helmets bar on the town square of Halen.
Her mug is a balloon, her tummy a hot air balloon, her cunt an unfolded zeppelin.

The layer of glimmering flaming red lip stick on and around her pursed fleshy lips shows bursts and gaps and her eyes lay like unruffled lakes of blue in the heart of that flaking landscape of eyeshade and mascara. Rimmel.
She washes the glasses, washes them again, dries them, puts them on the shelve behind the antique tap.
She ponders.
She daydreams about laying butt naked in the shadow of a palm tree on the hot and grainy sand of a tropical beach.
Just like that the Pacific Ocean gives birth to four young Adonis’s.
They apparantly are more than potent and ready for take off. They come close and overwhelm her. The first one seizes her vaginally, the second one orally, the third one anally and the fourth one rubs his sperm into her nostrils, ears and also hermetically seals all her other body cavities.
Big Zwanita almost comes.
Then the beer glass she holds in her hand falls down on the on the floor and shatters into pieces.

The Kaggevinne Killer wears a gigantic brown cowboy hat, a vivid green linen suit, a vivid red shirt, a vivid yellow tie, vivid black socks, purple plimsolls with shit on its soles and a pair of round white sunglasses with sky blue glasses.
This is how he emerges out of magic and out of nothing on the town square of Halen.
No-one who sees him. Not Deaf Julia. Not Little Bart. Not Mario Goossens. Not Pros Verpoorten. No-one.
No-one sees him.
This is quite remarkable, really.

Then he steps into Big Zwanita’s place.
He takes a seat at a table and puts his briefcase against a table’s leg.
In a single glimpse he assimilates the entire bar: alongside the walls filled with posters of naked women with horses and dogs are little wobbly wooden tables. Chairs with straight backs and wooden seats.
In the middle a miniature snooker. An antique tap. The usual furniture in a bar.
In a corner on the red tiles, Crooked Jules sleeps off his hangover.
The Kaggevinne Killer asks for a cup of coffee. In a mug and not in a glass, he adds.
One queer joker, Big Zwanita thinks, maybe a salesman gone berserk.
She puts down the mug in front of him. He inquires for the price and lays down the exact money. Always convenient to carry small change. Always on hand.
Straight through her camouflage heart, the Kaggevinne Killer spots Big Zwanita's nakedness.
Suddenly the Kaggevinne Killer cracks up into an untameable coughing fit rambling up from the inner depths of his chest only slowly calmed down a few minutes later belching short, dry hacks, gasping for air, almost muted.
He raises from his chair, darts to the door like a madman, pulls it open, rushes down the three stairs and starts running straight to the other side of the square.
One queer joker, Big Zwanita thinks, maybe a salesman gone berserk.

Her eyes fall on the briefcase the salesman gone berserk forgot.
Let’s have a look. Precious. Real leather. It might even be a Samsonite.
Why not open it? Darn. A combination lock. But no. The flaps fly open and the very next moment the whole town of Halen gets blown up, Big Zwanita up front.
In the corner on the red tiles, Crooked Julien is wakened by the blast. He thinks: don’t say it’s my goddamn fault again.


*

The Author:
JMH Berckmans
www.myspace.com/jmhberckmans

The Original Story:
De Killer van Kaggevinne (from 'Rock & Roll met Frieda Vindevogel', Dedalus 1991)

A Tuesday Afternoon Translation