maandag 11 november 2019

Angst

Sluit de luiken zwijg de 
monden dicht in stilte 
bijt de tanden op elkaar

angst

ruik het zweet verkramp 
de vingers kraak de tanden 
knars de nagels breek de 
tenen

angst
angst

in de kelder de ratten langs 
ladders beneden naar 
boven uit riolen de stank 
zwart de stront stinkt de 
schimmel kronkelt dwars 
door alles en overal heen

angst 
angst 

onder de wolken de donder 
grolt het monster geslopen 
tussen de spleten de kieren 
van de ramen de deuren de 
luiken houden de adem in stil 
we ademen amper en enkel 
door de neus we staren naar 
een 
enkel
punt 

bevroren
angst

we horen ze komen
en
ze komen 

dichterbij
ons 
en

angst

tranen branden
rond de adem 

we horen hoe
dichtbij

de adem stokt
stilt

angst

Hij is er
Hij is aanwezig


vrijdag 26 april 2019

Adem

Haar hakken weergalmen door de nacht. Haar benen werpen slanke schaduwen over de natte kasseien. Onder het toeziend oog van de straatlantaarn houdt ze halt. Ze wacht.

Even verder komt hij de trap af, de treden kraken. Hij recht zijn kraag, zijn standaard regenjas en strijkt ingebeelde plooien glad. Nog vijf minuten. Net op tijd wellicht. Netjes.

Haar benen zien er goed uit, vindt ze zelf. Ze zijn zacht, stevig zacht. Ze denkt aan zijn handen en bijt op haar lip. Ze voelt zijn vingers, de rand van zijn nagels. Hij heeft mooie nagels.

Hij sluit kordaat de deur, draait zijn sleutelbos rond de vingers en schuift ze in zijn zak. 

Vier minuten, in zijn onderbuik stijgt de spanning.

Ze kijkt om zich heen, betrapt door niemand. Ze hoort zijn stap naderen, een stevige tred. Ze denkt aan haar luie zetel, haar diepe kussens, een wijde broek, zijn grijze slobbertrui, een hand op haar warme buik. Zou ze niet beter terug gaan? Binnen is het stil. Achter de blinden is er jazz.

Hij ziet haar staan. Daar onder de straatlantaarn. Rode hakken, uiteraard. Haar benen leiden hem naar haar lippen en haar onschuldig groene ogen. Boven hen de maan.

Ze ziet hem, kijkt door hem heen met brandend verlangen, ze voelt zijn handen - nu al. Voelt ze hoe zijn handen, hij... hoe hij... 

Nog drie minuten. Hij versnelt zijn stap.

Achter een hoek en gesloten deuren glijdt een tong in een mond, versmelten lippen en speeksel, sterft de laatste noot van een verloren saxofoon op een vochtig plafond. Onder de brug spuugt een zigeuner op de grond. Vingers vinden elkaar, verstrengelen. Misschien Coltrane. Misschien.

Ze zucht. Hij loopt.
Twee minuten.

Hij draait zijn hoofd om, voelt hoe haar blik hem in twee snijdt. Het topje van zijn lid streelt zijn sleutelbos. De prikkel is niet onaangenaam.

Hij kucht. Zij hoopt.
Nog twee minuten.
Staat de tijd stil?
Of enkel in gedachten?

Keert hij zich om, komt zij naar hem, reikt hij zijn hand, neemt zij hem aan, vinden vingers elkaar, lippen, samen, op adem, een zoen, trillend, slikken, een hand, van iemand, ergens, daar, warm, hongerig, zoekend, meer.

Een minuut. 
Zij, de maan, een afspraak en in de verte de trein. Hij komt.

dinsdag 5 maart 2019

Tien keer dertig

Een.

Een steek doorboort zijn hand. 
Het mes ijskoud verankert zijn hand aan het biljartlaken. 
Groen vilt wordt bruin rood. 
Nog tart hij zijn woeste blik. 
Want ze was het waard.

Twee.

Ze twijfelt.
Haar ogen zoeken houvast, vinden de zijne. Bedelen. Ze krijgt zijn Cha-Cha.
Ze heeft gewonnen. Hij krijgt haar sapje. Ze vond het niet lekker.
Ze lacht nog even.

Drie.

De koude nagelt hem aan de grond.
Roerloos. Stil.
Hij is moe. Uitgeteld.
Door de mist, twee lichten. Ze naderen.
Hij heft zijn hand. Gaat zitten. Uitgeput.
Fluistert, stop.
Stop.

Vier.

‘Als je nu naar me kijkt, ga ik dood,’ zei ze. Hij zweeg.
Hij keek op, zag nog de wanhoop in haar ogen.
En hoe ze geruisloos in elkaar stuikte.

Vijf.

Het meesje hupt door de sneeuw, zoekt wat, vindt niets.
Het hupt verder, stopt, strekt de vleugels.
Tussen sjaal en muts volgen zijn ogen het trage sluipen van de kat.

Zes.

In de verte klinkt het schot. Hij schrikt op.
De knal galmt nog even na. 
Hij wacht op de stilte, staat op, gaat kijken aan het raam.
Alles volgens plan.

Zeven.

‘Houdt vol mannen! Blijven roeien!’ 
De dorst giert hen door de kelen. 
Spieren branden, barsten uit hun strak verbrande vel.
De schat boeit hen al lang niet meer.
Land. Eindelijk.

Acht.

Het mannetje wenkte hem. Het droeg een gek hoedje met een pluim.
Het lachte hem toe. Hij moest het volgen. 
Drie goudstukken moest hij betalen.
De regenboog bleek eindeloos mooi.

Negen.

Stof dwarrelt op zijn pantoffels. 
Zou hij een stap achteruitzetten, hij maakte halve manen van houtskool.
Zij ziet het, houdt haar adem in.
Z’n vinger veegt haar schaduw tot sleutelbeen.

Tien.

Haar voet kraakt schelpjes plat 
in de branding van de zee 
speelt schuim haasje-over met haar tenen.
Zand genesteld in haar natte haren 
gekruld op haar schouders 
kijk ik toe.



zondag 3 maart 2019

Wegzwijgers

Ze schuiven aan
langs de weg
de baan
en mist en nevel

Ze volgen
spoorloos
glijden gaande

Zij zijn de weg
kwijten zich in naamloosheid
en regen

De stilte gaat hen voor
De leegte achterna

zaterdag 2 februari 2019

KONGO 2015

1
Komt een mager blinkend oud heertje in oversized zwart kostuum de wachtruimte binnengesloft. Cliniques SNCC te Kalemie, Democratische Republiek Congo. In een hoekje staat een televisietoestel luid plaatselijke dansmuziek de ruimte in te blazen. Wellicht een SBR.

Heertje meneertje draagt een iets te loszittende zwarte nepslangenlederen hoed, de rand net boven een grote aluminium bril. Hij zet zich op een witte plastic tuinstoel, Jesus Saves, wijdbeens, met links van hem een administratief languit onderuitgezakte medewerker, rechts een gepensioneerde eettafel met daarop wat stof, een lege kruik en een afstandsbediening.

Terwijl ik wat vergeelde posters ter preventie van malaria bestudeer, staat heertje op, neemt de afstandsbediening van tafel en sloft onverstoord traag de wachtzaal door, recht naar het televisietoestel. In zijn sleepbewegingen zakt hij wat door zijn knieen, wiegt op een artritisch ritme licht heen en weer en houdt daarbij standvastig cool zijn kin omhoog en zijn mond in een trotse strakke streep.

Dit is zijn afstandbediening. 

De TV staat aan de andere kant van de wachtzaal. Hij komt bij het ding aan, houdt de afstandbediening tegen het toestel en zet het volume stiller. Hij draait zich om, sloft terug naar zijn witte tuinstoel en ploft zich genoegzaam neer. 

Zijn zwarte nepslangenlederen hoed gaf geen krimp.

2
Het onthaal bij Clinique Universitaires de Kalemie was hartelijk, de rondleiding enthousiast. Monsieur Kalembe, Medecin Directeur, komt me nog eens bedanken voor het bezoek aan zijn ziekenhuis. Het is inderdaad niet iedere dag dat iemand uit Antwepen naar tweedehands radiologieapparatuur komt kijken of de sfeer in broeierig donkere zespersoonskamers komt opsnuiven. 

Het was een eer, zei hij. Un honeur. Vraiment.

Monsieur Kalembe, Medecin Directeur vindt het wel jammer dat Bill niet mee was gekomen, want dat hij daar uiteindelijk toch altijd zijn facturen naar stuurde. Hij had namelijk nog een vraag voor Bill. 

Monsieur Bill de Bills@cigna.com, non?

Hij grijnst zijn twee lege tanden hoopvol bloot.

De zon straalde op de houten bankjes, hun schaduw afgetekend op het blinkend roodgeschilderde beton. In het gras huppelt een vogeltje. 'Vraagt u het mij maar, Monsieur Kalembe,’ glimlach ik. 

3
Ik had de verantwoordijke HR van de Monusco in Bukavu verteld dat mijn moeder in Kamina geboren was en dat ik blij was dat mijn vlucht van Kalemie naar Lubumbashi daar een tussenstop maakte. Ik was namelijk de eerste familiale postkoloniale telg in bijna zestig jaar, die in Kamina voet zou zetten. Het stiekem langverwachte en heimelijk ingeplande hoogtepunt van mijn missie in Congo.

Ik had geluk, zei ze, ze kende de verantwoordelijke van de basis vrij goed en ze ging eens polsen of ik niet snel even richting stad kon gereden worden. Hier had ik dus op gehoopt. 

De tussenlanding en laden en lossen zou weliswaar maar een goed uur duren, maar kom. Mooi meegenomen, zo even op en af in een witte UN jeep. Haren in de wind. De kauwgom fantaseerde ik er gemakshalve bij.

De luchthaven van Kamina blijkt eigenlijk de luchthaven van de legerbasis van Kamina te zijn, op 37km van de stad. Dat wordt dus een krappe missie want op de lokale wegen ligt de maximaal haalbare snelheid ver onder de 37km/u. 

Hoewel ik altijd wel vragende partij ben naar gierende U-turns in witte UN jeeps, liefst op een hobbelige zandweg bij het binnenrijden van de familiale bakermat, al dan niet met een vintage kalasjnikov op de achterbank, Peuple Kaminois, je vous salue - lijkt me in dit geval 74km/u halen, schier onmogelijk. 

Ik berg de droom tussen hoop en fantasie op en trek mijn das recht. Nina Ricci. La cravatte de papy.

Goed, onze vlucht stijgt dus op in Kalemie en verloopt onnoemenswaardig normaal. Na een uurtje begint de Noorse piloot aan onze landing en overvliegt eindeloos verre groene vlaktes, links en rechts uitgestrekt tot de horizon, en wellicht ver daar voorbij. Het kriebelt toch een beetje. Uit het raampje zie ik geen stad, enkel de groene wereldbol tot plots de landingsbaan.

Peuple Kaminois, je vous salue, denk ik dan maar, en ik neem een foto terwijl ik van het vliegtuig stap. Op de tarmak wijst men mij er onpersoolijk op dat ik me op een legerbasis bevind en dat het strikt verboden is foto's te nemen. 'Op straffe van...?' denk ik, maar houd de gedachte opgeborgen.

We worden de transitzone binnengeleid en ik spreek een sympathiek ogende dame aan. Binnen, zegt ze, mag ik foto's nemen. Zoveel ik wil. 

37km van deze witblauwe bunker, stichtten Paul M de Groote en Gilberte Verhaert een gezinnetje. 

Binnen het half uur ben ik hier weg.


Ciao papy.

zondag 27 januari 2019

Zondag

het ziet er niet
naar uit
dat het weer
zal beteren

dat het weer
integendeel
zal blijven
regenen

Mane Ketel

Ik pluk je
met een kusje
uit de dons


Kom maar, kom
je koffie staat klaar


Je komt naar beneden
De slaap in je ogen
weggewreven


Zonder snuifjes suiker
zonder wolkjes melk en
zonder pardon 


zwart
alles zwart


voor je ogen
van de trap 


naar beneden
kwam en bleef 

liggen

de sterren tegemoet


te moe
nog 

voor de dag
begon



zaterdag 26 januari 2019

Zij de duiven

Mocht gij u soms afvragen : wat is hun verhaal, dan zit naast mij dat koppel. 

Op Paasdinsdag zit hij met een herinnerde selectie elegante trekken van Mobutu Sese Seko naast zijn compagne in een leopard bontjas assortie met zijn vergane charisma. 

Ze delen sigaretten en drinken Karmeliet. Plaats ter observatie: het terras van Les Brasseurs. Onder de luifel.

Duiven komen en duiven gaan, onverstoord klapwieken zij dwars door de echo van de hak van de ober die knalt op de kassei van de straat. 

Ze komen zometeen terug, je zal het zien. 
Knallen heeft geen zin, je zal wel zien. 
Ik tel tot tien.

Hoeveel francs was één Euro. Hij heet Marco en zij verkondigt het ongeloof van arretes tes bêtises 150 euros ne fait pas 8 francs. 

Alors je te jures. 

Dan stoten de duiven hongerig naar achtergelaten borrelnoten met zout en urineresidu twee glazen om in scherven kapot op de Brusselse kasseien. Zij de duiven, zij knallen terug.

Ze haalt tet vergelijking de prijs van haar ring boven. Alors je suis malheureuse pour celui qui me l'a volé.

maandag 12 oktober 2015

Kom, we zij hier weg.


Gast, ze heeft het gedaan gemaakt. Stop uw zielig gedoe over die twee t-shirts die gij nog hebt liggen en die ze nog kan komen halen. Waarom hebt ge ze niet bij? Eigenlijk? Ok, ge zijt jong. 21? En zij, 19? En ja ik zit aan de tafel naast de uwe en ik hoor alles wat ge zegt en weet ge waarom ik hier zit? Ik zat op de trein van Leuven naar Antwerpen en weet ge wat? Ik zag haar zitten en tussen Lier en Antwerpen Centraal draaide ze haar haar in slierten en toen we uitstapten zei ik zie ik vind u leuk, wilt ge met mij een pizza gaan eten en ze vraagt waar en ik zeg de Roma en ze zegt Ha! goe, ik heb daar afgesproken met mijn ex, zie dat ge de tafel naast ons pakt en pak mij daarna mee naar huis en neuk me te pletter. 

donderdag 2 juli 2015

Grass Doll Stroll


legs enter in sight 
one then two                                                                           (22?)
stockings black stripes
two thumbs thick they scaffold to unravelled light blue jeans
hotpants
look a playful wind blow how it drapes
long ginger blonde curly curtains wave
above that mocking me ass
loose on the loins then up higher so tight the white
t-shirt hard steel letters scream 

ANTHRAX

(in red)

then thin tanned arms
in the rhythm of little leather ankle boots
she proceeds

maandag 13 april 2015

Brief aan de Spinnekop


Lief spinnekopje,

Ik had je niet onmiddellijk zien liggen toen ik in de douche stapte.
Ik zuchtte even toen je in de kromming van de badkuip naar boven kroop en weer naar waar je zat naar beneden gleed. Hoe dikwijls ben je zo niet op en af gegaan?
Ik nam de douchekop om je uit gemakzucht richting afvoer te spoelen, enkele reis riool. Verzopen zonde nageslacht. Rattenvoer.
Ach neen, ik heb mijn vinger voor jou gelegd zodat je er op kon kruipen. Je kwam voelen met je pootjes en vertrouwde het niet erg.
Ik las ooit dat spinnen niet zo van lichaamswarmte houden.
Ik nam dan maar een stukje papier en schoof het voor je uit. Je subtiele pianistenpootjes gingen om beurten aarzelend de lucht in en tikten het papiertje één voor één nieuwsgierig aan. Je aanvaardde m'n lift uit je uitzichtloze bestaan en kroop op het stukje papier.
Ik bracht je door de badkamer door de gang door de slaapkamer naar buiten op het terras en op het terras lag een dorre esdoornvrucht. Je weet wel, zo'n halve platte nepsnor die heerlijk naar beneden helikoptert als ie valt. Als kind amuseerden we ons daar eindeloos mee tot we kastanjebolsters vonden.
Ik stelde de vrucht aan je pootjes voor. Niet onmiddellijk maar dapper evenwel, kroop je op je gigantische luchtsurfplank. Prachtig gestroomlijnd design: onvervalst neo-organisch futurisme en wel helemaal voor jou alleen.
O wat een dolle vlucht moet je hebben gehad: zo van het tweede verdiep rond en rond en rond twee toertjes per seconde naar beneden. Boom tuin zon huis boom tuin zon huis boom tuin zon huis boom tuin zon huis. Ik zou me de maag en darmen uit het lijf gebraakt hebben maar kon nu tenminste op m'n gemak m'n balhaar trimmen.

Liefs,
Anthony

woensdag 8 april 2015

Dexter en de Nachtegaal.



Dexter is bloot. Hij is niet echt groot en opent zijn ogen naar de lucht en de lucht is blauw. Hij ziet dat de zon schijnt en het gras is groen. Dexter heeft net een dutje gedaan onder de perelaar.

Tegen de stam rust zijn hoofd en een beetje rug. Al eeuwen lang plooit hij zo zijn armen achter zich en voelt de vertrouwde schors in zijn handen. De malse grasvlakte rond hem heen en tot de horizon de stilte. In de derde perelaar fluit de nachtegaal.

Er zijn geen huizen, geen vliegtuigen, geen kalenders, geen kinderen, geen muziek, geen musea. Er is alleen Dexter, drie perelaars en het heldergroene landschap rond hem heen en tot de horizon de stilte, de nachtegaal en de eeuwigheid.

Dexter wandelt soms wat rond, maar nooit heel ver. Dat hoeft ook niet. Gewoon wat wandelen tot het heuveltje. En dan weer terug een peer eten. Wanneer hij stapt, vindt hij het fijn zijn tenen te spreiden. Dan kietelt het gras.

Ver weg aan de horizon scheidt een lange witte lijn het blauw van het groen. Dat is altijd zo geweest. Wanneer Dexter de heuvel af en naar de lijn toe wil wandelen, verdwijnen achter hem telkens de drie perelaars en zijn er geen peren meer.

Op het heuveltje gaat Dexter op de tippen van zijn tenen staan en wipt even op en neer. Meestal zit hij onder de perelaar. 's Nachts slaapt hij onder de sterren.

In de derde perelaar fluit de nachtegaal. Dexter kijkt naar hem om en aan een tak hangt een zwart-witte schoudertas van Sunair. Die hing daar nog nooit. Dexter kruipt recht. De tas is leeg. De nachtegaal schudt haar veren en kijkt naar Dexter en de lege tas. Dexter kijkt naar de nachtegaal en vult de tas met peren.

Tussen blauwe viooltjes en klaprozen wandelt Dexter de witte lijn tegemoet aan de horizon met een schoudertas vol peren. In de verte zingt de nachtegaal.

De witte lijn wordt een band en dan een muur en is glad en koud. Niet het minste scheurtje. Als Dexter zich helemaal strekt, voelt hij met de toppen van zijn vingers hoe de bovenkant van de muur afgerond is.

De zon zakt stilaan weg. De manen zijn al zichtbaar. Als Dexter honger heeft, eet hij een peer. Als hij dorst heeft, legt hij zijn hoofd achterover. Dan doet hij zijn mond open en begint het te regenen.

Dexter volgt de muur eindeloos lang. Links ziet hij onveranderbaar op het zelfde centrale punt van de horizon drie kleine perelaars. Hij voelt hun vertrouwde schors in zijn vel wanneer hij het kleine luikje ziet. Dexter stapt verder tot hij opnieuw het kleine luikje ziet. Dexter blijft stappen en ziet opnieuw hetzelfde kleine luikje. Dexter stopt met stappen en kijkt naar het kleine luikje. Het luikje staat op een kier.

Dexter doet het luikje open. Zijn neus past er net door. Hij ruikt nootmuskaat en abrikozen. Hij haalt zijn neus uit het luikje en kijkt er met één oog door. Hij ziet niets dan wit. Hij steekt twee maal drie vingers door het luikje en probeert de opening wat breder te maken. De randen plooien mee en de opening wordt groter.

Dexter krijgt zijn hoofd net niet helemaal door de opening. Hij duwt harder, maar de muur geeft geen duimbreed meer toe. En toch. Zijn oren steken wat te veel uit en breken van zijn hoofd. Zijn schouders plooien naar binnen, pletten haast zijn ribben en als een inktvis glijdt hij met zijn tas vol peren door het luikje de witte nevel in. Hij trekt de opening naar beneden, raapt zijn oren op en hangt ze links en rechts weer op de juiste plaats.   

De nevel klaart op en voor hem staat een diertje. Het heeft zes heel korte pootjes, een chocoladebruine vacht en een klein lief rond kopje met daarin twee witte pretoogjes. Het diertje kruipt lagnzaam naar Dexter toe en klimt zonder zich iets van de zwaartekracht aan te trekken helemaal naar boven. Daarbij geeft het Dexter een lekje op de wang. Het zet zich op zijn schouder en legt zijn zachte frisse staart in de Dexter's nek.

Samen kijken ze naar al de verschillende struiken en bomen die zich kriskras door het landschap hebben genesteld en hen lijken toe te wuiven. De struiken dragen witte bloemen, de bomen roze. De zon straalt en het gras is groen. Van de witte muur geen spoor. Dexter en het diertje wandelen over het warme malse gras en nestelen zich in een struik van schuim in het zonnetje. Dexter doet een dutje. Het diertje springt van zijn schouder en huppelt weg.

Als Dexter wakker wordt, strelen de zonnestralen nog steeds zijn gelaat. Voor hem liggen wat noten klaar. Wat verderop ziet Dexter een groepje van drie notelaars. Dexter eet een paar noten en aait het diertje over het hoofd. Het diertje glimlacht en huppelt weer weg. Een paars en geel gevederde vogel fluit zijn lied.

Dexter laat zijn tas met peren liggen en wandelt onder de blauwe lucht. In een helder kabbelend beekje ziet hij zes zilverkleurige visjes keuvelen. Ze zeggen elkaar hartelijk gedag en één van hen springt uit het water in de open mond van Dexter. Het visje heeft geen graten, is lekker mals en glipt nadien uit Dexter's anus terug het beekje in.

Geamuseerd verkent Dexter zijn nieuwe wereld. Ook hier zijn er heuveltjes. Dexter slaapt onder een nieuw sterrenstelsel. Een grote roestbruine planeet hangt gewichtloos pal boven een groepje notenbomen. Nacht na nacht schuift de planeet een beetje meer naar links.

Telkens Dexter ontwaakt ligt er een hoopje noten voor hem klaar en ziet hij nog net hoe het diertje weghuppelt. De zon verwarmt zijn blote buik en de bladeren ritselen hem vriendelijk goedemorgen. Dexter kruipt recht en wandelt naar een heuveltje om er op de top op de tippen van zijn tenen even op en neer te wippen. Aan de horizon scheidt een zwarte band het malse groen van het heldere blauw.

Wanneer na duizend nachten de planeet weer pal boven het groepje notelaars is komen te staan, komt de geur van nootmuskaat en abrikozen aangewaaid. Dexter opent zijn ogen en kijkt recht in de witte ogen van het diertje. Dexter staat op, plukt een roze bloem en wandelt altijd rechtdoor. De bomen en struiken wuiven en de vogeltjes fluiten. Het zonnetje schijnt.

De zwarte strook groeit en wordt zwarter naarmate hij dichterbij komt. Het diertje is hem gevolgd en keert zich om en huppelt weg, zigzaggend over het glooiende landschap.

Een metershoge wirwar van zwarte takken en doornen en bladeren torent dreigend hoog boven Dexter uit. De begroeiing is zo dicht dat er geen licht of wind door kan. Dexter voelt aan de takken en doornen en bladeren en deze zijn hard en koud. Hij trekt zijn hand terug en wandelt langs deze eindeloze wand. Hij legt zijn hoofd achterover, opent zijn mond en lest zijn dorst aan de regen.

Hij voelt het warme malse gras tussen zijn tenen en zijn neus vangt een vleugje nootmuskaat en abrikozen. Dexter stapt verder. Rechts zwart, links groen, boven blauw. Ver weg en onveranderbaar op hetzelfde centrale punt van de horizon het groepje notelaars. Dexter ruikt opnieuw de geur, stopt met stappen en komt met zijn neus tot vlak aan de wand van zwarte takken en doornen en bladeren. Door een piepklein gaatje kietelt nootmuskaat en abrikozen hem in de neus. 

Voorzichtig steekt hij zijn wijsvingers in het gaatje en probeert het gaatje groter te maken. De takken buigen een beetje mee en uiteindelijk lukt het hem om met zijn beide handen een opening te maken. Zijn handen bloeden. Hij wil kijken of hij door het gat iets kan zien, maar voelt enkel koude. Meer wordt hij niet gewaar.

Dexter duwt zijn hoofd door de nauwe opening en voelt hoe daarbij de takken en doornen dwars door zijn huid over zijn schedel schrapen, aan zijn haren trekken en zijn oren aan flarden rijten. Hij wringt zich verder door het gat terwijl als roestige nagels de koude takken en doornen zijn vel openscheuren en hele repen vlees uit zijn armen en benen rijten. Hij bloedt uit zijn rug, zijn buik, zijn billen en houdt zijn broze roze bloem stevig vast. Doorheen de geur van zijn eigen zweet groeten nootmuskaat en abrikozen.

Dexter staat recht en achter hem ritselen frisgroene lindebomen in een zacht briesje. Zijn huid is zacht en zuiver. Hij staat bovenop een heuvel in zacht mals gras en op de tippen van zijn tenen wipt hij even op en neer.

In de verte kijken grijsblauwe bergen neer over een riviertje dat zich met wat zijtakken tussen de heuvels heeft gedrapeerd en daar blinkend goed genesteld ligt. Hij ziet hoge bomen in donkergroen en kleine bomen in lichtgroen, struiken met gele vruchten en bloemen - overal bloemen in de meest uiteenlopende kleuren, kriskras verspreid of in bosjes bij elkaar te genieten van de zon.

Dexter wandelt de heuvel af en van uit een bontgekleurd bloemenbos kijken twee oogjes hem aan. Dan kijken vier oogjes hem aan. Dan acht. Tien. Veertien. Twintig. Tot plots heel het bloemenbos tegelijk de lucht in vliegt en er een boeket van kleine vogeltjes begint te dartelen en te kwetteren. Ze fladderen rond Dexter en strijken één voor één op zijn schouders neer en planten hun klauwtjes lieflijk in zijn vel. Een vogeltje met een gele kuif geeft het signaal op te stijgen en voor hij het goed en wel beseft vliegt Dexter over de groene valleien van zijn mooie nieuwe wereld.

Op de begane grond kijken eekhoorntjes en reeën speels naar het vreemd figuur dat zonder pels of veren door de blauwe lucht wordt gevlogen. Dexter landt zacht bij de rivier en bedankt beleefd voor de vlucht. De vogels buigen hun kopje. Graag gedaan.

Dexter geniet van het warme zachte malse gras dat onder zijn voeten telkens wat meer lijkt mee te veren. Hij volgt de rivier stroomopwaarts en glimlacht zo zijn weg langs fruitbomen en olijfbomen en een gladde blauwe rots waarop een tweekoppig reptiel ongestoord geel ligt te wezen.

De rivier duwt haar oevers wat verder uit elkaar en krijgt van het gras de ruimte om haar waterval op te vangen. Dexter stapt het lauwe water in en zwemt een rondje op zijn rug. Hij blijft even drijven en geniet van het lauwe water en de warme zon. Dan duikt hij onder, voelt het zachte water zijn lippen strelen en neemt een heerlijk zoete slok. Onder hem kijken oranje goudvisjes geamuseerd toe. Op de oever kwaakt een helgroene kikker.

Hij zwemt terug naar de oever waar zijn roze bloem op hem wacht. Hij gaat languit op zijn rug liggen, glimlacht tussen de madeliefjes naar de zon en doet een dutje. De warme wind en de strelende zon drogen zijn natte vel.

Wanneer Dexter wakker wordt, ziet hij haar naakte rug. Ze leunt op haar goudbruin gestrekte armen en zit rechts aan zijn zijde in het gras. Haar benen liggen languit over elkaar, maar die ziet Dexter niet. Ze beweegt wat met haar tenen. Op haar knie kijkt een wit vlindertje naar de rivier. Naast haar wiegt wat riet rustig heen en weer. De helgroene kikker kwaakt naar de gele eend die als enig teken van aanwezigheid haar donzen vleugels strijkt.

Ze heet Sushi. Ze draait haar hoofd en glimlacht met haar lichtgroene ogen. Over het gras vol madeliefjes wuift de wind een lokje haar over haar volle rozerode lippen. Speels streelt ze haar zachte haar terug achter haar oor. Onder haar bovenarm de ronding van haar linkerborst.

Dexter kent geen talen. Hij heeft nooit gesproken. Dat hoefde ook niet. Hij produceert een begroetingsgegrom. Sushi fronst haar fijne wenkbrauwen, trekt haar neus op, en beantwoordt zijn groet met een diepe ademstoot en lacht haar witte tanden bloot. Ze veert recht.

Dexter kijkt hoe onder haar blote billen haar benen haar lichaam richting rivier leiden. Ze plonst een paar passen in het water, draait zich om en wenkt Dexter te komen. Dexter kijkt naar de waterlijn net onder haar navel en ziet hoe Sushi in het water wordt weerspiegeld. Hij gromt, wuift iets terug en gaat opnieuw liggen. Sushi fronst en zwemt in trage sierlijke slagen naar de waterval. Ze laat het lauwe water op haar naakte lichaam klateren. Als ze even later terugzwemt naar de oever, merkt ze dat Dexter verdwenen is. Ze gaat liggen waar hij lag. Met een roze bloem streelt ze haar ribben tot net onder haar borsten.

's Nachts zweeft boven de bergen een roodoranje planeet met een hele hoop ringen en naast die planeet hangt een andere planeet, helblauw. Dexter kijkt naar de miljoenen sterren, de galactische nevels en het koppel manen en valt in slaap onder zijn nieuw sterrenstelsel

Dexter wandelt tijdloos rond over het groene malse gras onder de blauwe lucht tussen de witte viooltjes in het zonnetje. Als hij honger heeft plukt hij fruit en als hij dorst heeft, legt hij zijn hoofd achterover. Dan doet hij zijn mond open en begint het te regenen.

Op de top van een heuveltje wipt hij in het zonnetje op de tippen van zijn tenen even op en neer en ziet Sushi.

Dexter denkt aan de waterlijn, haar navel en de weerspiegeling in de rivier en wandelt naar haar toe. Ze glimlacht. Er hangt een druppeltje water aan haar neus. Andere druppeltjes glijden zich een baantje over haar zachte buik naar beneden.

Ze staan neus aan neus. Hij weet niet waarom maar hij likt over haar wang. Ze snuift haar neus op en likt zijn schouder.

Vlindertjes fladderen rond Dexter en Sushi. Onder een struik gluren twee witte pretoogjes. Een eekhoorn wuift met zijn pluimstaart nieuwsgierig gedag. 


Sushi drukt haar natte borsten tegen zijn harde naakte haarloze lijf. Dexter voelt zijn onderbuik branden en zij de hare. Ze bijt in zijn neus, hij bijt in haar arm. Oog in oog en ze lachen luidop. Ze neemt een hap uit zijn kaak, hij een hap uit haar zachte hals. Liefkozend kauwen ze, nootmuskaat en abrikozen. Ze verscheuren zich. Ze voelen geen pijn. En verslinden elkaar met huid en haar.



Einde.

woensdag 16 januari 2013

amateurtheater


in stilte zit hij
ziet haar naakte enkels
in zacht wit licht en stof
fluistert miller naar haar lippen

hij laat zijn zaklamp vallen
de bladen op de grond
zijn hoofd boem tegen de balk en alles zwart
voor zijn ogen

de naakte enkels stokstijf stil
fluistert ze hendrik
godverdomme